In Groot-Brittannië zijn toneelauteurs van oudsher de belangrijkste aanvoerders van nieuw tekstmateriaal voor theaters. Met illustere voorgangers als William Shakespeare, Samuel Beckett en Harold Pinter heeft de hedendaagse Britse theaterauteur een zware opdracht en die vervult hij met trots. Bij ons en in Nederland ligt dat even anders.
Als we er de credits van een gemiddeld Vlaams of Nederlands theaterseizoen op nalezen, blijkt de theaterauteur de grote afwezige. De teksten komen hier vaak van de regisseur zelf of van alle acteurs samen. Ook tekenend is dat die teksten enkel door hen zelf gespeeld worden. In tegenstelling tot het buitenland, waar de teksten van zelfstandige auteurs door verschillende gezelschappen worden opgepikt en door de jaren heen hernomen worden en zo een repertoire gaan vormen.
In het Nederlandse taalgebied ontstaat theater steeds meer in een sfeer van democratie. Hiërarchie lijkt hier uit den boze. Is het daarom dat de Vlaamse en Nederlandse theaterauteur niet aan de bak komt? Wordt hij weggehoond wanneer hij als buitenstaander met een mapje teksten onder de arm het theater binnen komt wandelen?
Of ligt het aan de schrijver zelf die misschien wel goeie romans schrijft maar eigenlijk bar weinig vertrouwd is met de eisen waaraan een goeie theatertekst moet voldoen?
In Nederland deed jaren een tekst de ronde "Is dit Engeland?". Het was een theatertekst die geen enkel gezelschap wilde spelen omdat het stuk te duur was om te spelen, een te grote bezetting nodig had en omdat het niet volgens de regels geschreven was. Auteur van het stuk was Robert Anker. Toen hij uiteindelijk besloot de tekst in boekvorm uit te geven, won hij er prompt de Libris Literatuurprijs voor. Slecht kan de tekst dus niet geweest zijn, maar geschikt voor het theater? Waarschijnlijk niet.
Een rondvraag bij Nederlandse theatermensen leert ons dat romanciers inderdaad weinig kaas gegeten hebben van wat een goeie theatertekst is. De theaterauteur moet kunnen omgaan met resticties in tijd en ruimte, interieure monologen vervangen door vlotte dialogen, genoeg aan de verbeelding van het publiek kunnen laten.
Natuurlijk zijn er uitzonderingen: wie "Ten Oorlog" hoort, denkt meteen aan schrijver Tom Lanoye en bij "Vrijdag" valt de naam Hugo Claus meteen.
En ja, ook Jeroen Olyslaegers en Peter Verhelst combineren hun proza met theaterwerk. Maar alsof het aanleveren van een tekst voor hen maar een troostprijs betrof, hebben zij besloten gewoon mee het podium op te stappen, de regie er ook even bij te nemen en - ach, waarom ook niet - het ontwerp van het decor. Misschien zijn onze auteurs gewoon té getalenteerd.


