Theaterlegende Tone Brulin wordt 84

di 11/05/2010 - 13:38 Tone Brulin heeft de bakens van het Vlaamse theater verzet, maar is hier geen grote naam. Hoog tijd om daar verandering in te brengen.

podium theater acteur regisseur tone brulin schrijver antwerpen zuid-afrika ghana maleisië nederlands kamertoneel KNS KVS BRT interview

The king an' the captain: Tone Brulin

Auteur en regisseur Tone Brulin heeft altijd zijn grenzen en die van het Vlaams theater willen verleggen. Zijn zoektocht naar een wereldtheater bracht hem naar Afrika, Azië en de beide Amerika's. Histories tracht een overzicht te brengen van zijn carrière. (2002)

Schrijver, acteur en regisseur Tone Brulin is geen household name hier in België. En dat terwijl hij het Nederlandse Kamertoneel oprichtte, de driejaarlijkse Staatsprijs voor Letterkunde kreeg en als eerste een zwarte acteur op de Vlaamse planken zette. Ligt dat aan het feit dat hij zo lang in het buitenland heeft gewerkt? Was zijn manier van werken te eigenzinnig? Of was zijn boodschap gewoon te confronterend voor het Vlaamse publiek?

Waarom zet u zich af tegen de omschrijving “globetrotter van het Vlaamse theater”?

Dat is alles wat mensen weten: "die Brulin heeft veel in het buitenland gewerkt". Afrika, Azië, Noord- en Zuid-Amerika, noem maar op. De kwantiteit, de lijst van landen, die is bekend. Maar niemand vraagt zich af waarom ik precies naar die plaatsen ging en wat voor theater ik daar maakte. Neem nu Ghana, waar ik in de vroege jaren ’60 heb gewoond. Dat was geen willekeurige bestemming: ik wou er werken omdat het de eerste Afrikaanse staat was die het koloniaal juk afwierp en onafhankelijk werd. Daar wou ik bij zijn! Toneel is voor mij geen avondje vertier, elk stuk staat in verband met iets groters. Ik ben in 2002 nog gehuldigd [door de organisatie Voorplan, een initiatief van Vic Anciaux; nvdr] voor mijn hele oeuvre maar uit de speech bleek dat men niet echt wist waar ik mijn hele leven voor heb gestreden.

Hoe zou u dan wel graag bekend staan?

Als iemand die zich altijd met mensen heeft beziggehouden, en met het verdriet dat ze elkaar aandoen. Als iemand zonder oogkleppen, die onrecht, racisme en machtsmisbruik aanklaagt. Al toen ik twaalf was, stak ik mijn voelsprieten uit: wat gebeurde er in het buitenland? En hoe uitte zich dat in de kunsten? Wat ik op school hoorde boeide mij niet, maar ik las wel theaterboeken over mensen als Vsevolod Meyerhold, de experimentele Russische regisseur, en de Duitser Erwin Piscator. Ik was gefascineerd door hun ideeën en standpunten, en dat is altijd zo gebleven. Ik weet nu op mijn vierentachtigste niet meer dan wat ik toen al wist.

En heeft u die ideeën ook kunnen overbrengen op uw publiek?

Ik heb dat geprobeerd, maar een grote groep volgelingen heb ik nooit gehad. Ik heb met het Nederlands Kamertoneel voor het eerst een zwarte op de planken gebracht: Clive Farel, een acteur uit Sierra Leone. Een heel bijzonder moment, maar het kreeg weinig weerklank, noch in de pers, noch in de theaterwereld. Het Kamertoneel heeft overigens niet lang bestaan: het werd me al snel duidelijk dat we in dezelfde traditionele tredmolen vervielen van het commerciële theater. U kent het wel: een jaarprogramma met gelijke delen tragedie, komedie en klassieke werken, een voorkeur voor stukken die al met succes in Londen en New York zijn gebracht en bewezen hebben dat ze geld in het laatje brachten. Dat is geen verfrissende manier om kunst te benaderen. Anderzijds is een theatermaker zonder publiek natuurlijk ook niet ideaal.

Heeft dat gebrek aan publieke erkenning u parten gespeeld?

Natuurlijk. Het is in theater niet anders dan in voetbal. Een speler die fans heeft wordt aangemoedigd door mensen die langs de zijlijn staan te roepen. Daardoor loopt hij sneller, scoort hij meer en krijgt hij er nog meer fans bij. Die zijn benieuwd wat hij de volgende keer zal laten zien, komen trouw kijken en stuwen hem voort. Ze willen dat hij voortdoet, komen naar een wedstrijd omdat zijn aanwezigheid de belofte van iets bijzonders inhoudt. Zoiets heb ik nooit meegemaakt, ik had geen groep die achter mij stond en nieuwsgierig was naar mijn volgende stuk. Ik ben nooit lang genoeg op dezelfde plaats gebleven om zo’n groep supporters op te bouwen. Maar zonder die steun sta je nergens. Dan moet je jezelf blijven motiveren, en dat slorpt energie.

Misschien was de boodschap die u bracht niet zo populair?

Ach, populair. Jean Vilar richtte zich ook op het brede publiek, zonder dat dat gemakkelijk theater was. Hij vond een evenwicht tussen wat zijn publiek wou zien en wat hij hen wou tonen. Ik ben altijd een lone wolf gebleven.

Toch heeft u veel kunnen waarmaken.

Ik ben wel trots op wat ik gedaan heb. Vooral “Rif Raf”, dat ik in 1995 in de KNS heb gebracht, was echt steengoed. Ik heb mij gebaseerd op werk van van Wole Soyinka, de Nigeriaanse Nobelprijswinnaar. Driekwart van de cast was zwart: twee Surinamers, twee Zuid-Afrikanen, Bode Owa speelde mee. Een groot podium, prachtige muziek, heel mooie belichting: dat stuk was gewoon af. Twee uur lang stond het te daveren en te dansen. Een fantastische bekroning van waar ik jarenlang voor gewerkt had.

Maar moet theater groots aangepakt worden om goed te zijn?

Liefst wel, ja. Maar goed, als ik "klein" theater maak met twee mensen op een leeg podium dan kan je dat stuk nog altijd groot laten resoneren. Je projecteert er je grotere dromen rond.

Is er hedendaags theater dat u veelbelovend vindt?

Zoveel kom ik niet meer buiten, maar er zijn wel interessante groepen. CREW, het gezelschap rond Eric Joris, is bijvoorbeeld heel avontuurlijk. Ze gebruiken nieuwe technologieën om hun verhalen te vertellen en dat opent een hele waaier van mogelijkheden. Maar het is niet aan mij om dat allemaal te gaan verkennen, de jonge generatie moet het waarmaken. Ik heb gedaan wat ik kon.

[Op 21.04.2010 werd het laatste stuk van Brulin, "Night of the Burning Apes" vertoond in het Zuiderpershuis]





Cobra rubrieken