Heeft schrijven wat met echtelijke trouw te maken? Je zou het bijna geloven als je ziet hoe uitgeverijen steeds vaker uitpakken met het zilveren of gouden jubileum van een gevierde of juist wat verwaarloosde auteur uit hun fonds. Het behoort natuurlijk tot een gevoelig koesteringsritueel waar attente uitgevers niet buiten kunnen. Dit jaar is het de beurt aan de Vlaming Bart Plouvier (°1951). Plouvier is vijfentwintig jaar schrijver en heeft zijn vijfentwintigste boek afgewerkt, zo laat zijn uitgever weten. Het is een bundel met negen verhalen over de dood. ‘Genezijde’ is de toepasselijke titel.
Stervenden en doden
“Weet ge, sterven is zoiets als komen bij een vrouw, maar dan, hoe zal ik dat zeggen, in ’t onplezierig… .”, zegt een volks personage uit Gistrode, het mythische Vlaamse dorp aan de Murde dat het decor vormt van twee verhalen uit deze bundel. De doden zijn er even aanwezig als de levenden en dolen er in een tijdloze mistige ruimte rond, middeleeuwers en verse doden uit een nieuwe eeuw. Elders bezweert een personage haar angst voor de dood in scheppingsdrift en de lediging van haar geheugen. Allemaal zijn ze of dood of stervende, allemaal zijn ze nieuwsgierig naar dat niets dat toch iets moet zijn, tenminste als we het ons willen voorstellen of als we, als Bart Plouvier er verhalen over vertellen.
Schrijvers en vreemde landen
Zo is er de oude man die mijmert bij het lijk van zijn vrouw. Constranze was een Weense oorlogsverpleegster en violiste die lang geleden gewonde soldaten en gefolterde gevangenen oplapte in een Antwerps ziekenhuis. Een bewonderende verteller wandelt met de dode schrijver Georges Simenon door diens geboortestad Luik, waar hij als jeugdige bohémien getuige was van een nooit opgehelderde zelfmoord. Een gepensioneerde leraar wandelt zich, bladerend in ‘Under Milk Wood’, een fataal hartinfarct op weg naar de top van Cader Idris, de Welshe berg van Dylan Thomas. De literatuur echoot ook mee in het verhaal van een dodelijk zieke vrouw die terugkeert naar het gedroomde Alpenland van haar jeugd, en die sterft in het Zwitserse hotel waar schrijver en lepidopterist Vladimir Nabokov zijn laatste jaren doorbracht. Bart Plouvier bezit een sterk ontwikkeld gevoel voor plekken, zodat deze literaire hommages ook wat tegen het genre van het reisproza aanschuren.
Exuberant en romantisch
Bart Plouvier maakte naam met romantische zeeverhalen in een proza dat ruist en klotst van ouderwetse romantiek. Water haalt in Plouvier de stemming van “matelot maudit” gemakkelijk naar boven. 'Matroos' handelt over een man die “liefde verwart met heimwee en hunker” en daaraan ten onder gaat. Dat hij “metaforiseerde tot wie hij ooit had willen zijn” klinkt de lezer onbegrijpelijk in de oren, tenzij de schrijver metamorfiseren bedoelde. In uitbundige momenten laat zijn stijlgevoel het soms afweten. Zijn beeldspraak is niet zelden breed geborsteld en schuwt de hyperbool niet: “Op een meet waar alle gele bollen gaspeldoorn op de rem gingen staan, groeien genoeg braambessen om een supertanker met hun confituur te vullen.”
In de Gistrode-verhalen haalt Plouvier zijn rijkste palet boven, grossiert hij in oude woorden en neologismen en neigt hij naar het groteske en exuberante. Het zal geen toeval zijn dat het Gistrode-verhaal “De Wentelaar”, waar de dood verschijnt in de schrikwekkende gedaante van een reusachtige meerval, opgedragen werd aan collega Pjeero Roobjee, al is het bij Plouvier meestal zwaarmoediger en ernstiger bedoeld dan bij de Oost-Vlaming.
Johan De Haes
['Genezijde' - Bart Plouvier. Uitgeverij Manteau, 2012]


